Blogs

De terugkeer van het wijkgerichte werken

In Nederlandse gemeenten wordt druk gewerkt aan de voorbereiding van de Omgevingswet die per januari 2021 in werking treedt. Het gaat om niets minder dan een cultuurverandering. “In de basis gaat het om houding en gedrag”, zegt een van de geïnterviewden in Binnenlands Bestuur (27 sept 2019).

Vooruitlopend op de invoering, oefenen gemeente ambtenaren zich – onder meer via simulatiespelen – in integraal denken en handelen, verbinden, van buiten naar binnen denken, co-creatie met stakeholders en bewoners en “over schotten heen zien.” Dat gemeente ambtenaren en hun bestuurders nu door de wetgeving gedwongen worden die vaardigheden aan te leren, komt niets te vroeg. Een integrale benadering en de meekoppeling met andere grote opgaven is zondermeer de sleutel tot het realiseren van  energietransitie en klimaatadaptatie. Niet voor niets kiest het Rijk bij het aardgasvrij maken van woningen voor een wijkgerichte aanpak.  

De energietransitie en de klimaatadaptatie lijken min of meer als vreemde eenden de Nederlandse beleidspraktijk binnen te zijn gevlogen en daar bovenop gezet. Binnen gemeenten (althans de grotere) zijn aparte programma-organisaties opgetuigd om deze nieuwe uitdagingen aan te vatten. Vaak is, zeker in eerste instantie, de inbedding in, en verbinding met de rest van de organisatie beperkt. De transitie opgaven kunnen de gemeentelijke praktijk flink opschudden en zo – hopelijk – vernieuwing brengen.

Zo kunnen de transities belangrijke ruimtelijke consequenties hebben. Zeker in het geval van de energietransitie ontstaat een grote concurrentie met woningbouw, infrastructuur, landbouw, recreatie en natuur om de schaarse Nederlandse ruimte. De strijd voor ruimtelijke inpassing van nieuwe vormen van energiewinning, zoals windturbines, zonnevelden en biomassa- en geothermie-installaties, wordt nu via de regionale energie strategieën ingezet. Het zal moeten blijken of het gesprek met de andere ruimteclaims zo voldoende tot stand komt. Zeker is dat we de, onder de nieuwe wet tot stand gekomen, ‘omgevingsvisies’ op de verschillende schaalniveaus hiervoor bijzonder hard nodig zullen hebben, evenals rolneming en flexibiliteit van decentrale overheden vanuit nieuwe verantwoordelijkheden en bevoegdheden.

Niet alleen vergen de transities ruimtelijke inpassing in een toch al overvolle ruimte, er liggen ook tal van connecties met de standaard beheeropgaven in boven- en ondergrond: grootschalig onderhoud van woningcomplexen, herbestrating, groenonderhoud, periodieke vernieuwing van kabels & leidingen, rioolsystemen, etc. Ook wijken en hun openbare ruimte – bovengronds en ondergronds -hebben vanaf hun ontstaan een levensduurcyclus en periodiek onderhoud nodig. Op deze cyclus aansluiten kan grote voordelen opleveren, zowel praktisch als financieel. De wederopbouwwijken van de jaren ‘50 en ‘60 zijn al aan de beurt geweest. Vóór 2050 zullen ook de bloemkoolwijken, gebouwd tussen 1965 en 1985, een vernieuwingsbeurt hebben ondergaan. De fysieke en sociale slijtage creëert al in veel steden de noodzakelijke aanleidingen voor interventie. En in al die gebieden zien ook bewoners de verschillende opgaven op zich afkomen.

Neem de Bloemkoolwijken. De kinderen zijn (reeds lang) de deur uit, de bevolking vergrijst. Maatschappelijk vastgoed is – of wordt – herbestemd. Woningen worden overgenomen door jonge starters en ondergaan onder hun handen een flinke renovatie. De boven- en ondergrondse infrastructuur in de wijk is misschien nog niet aan het eind van zijn levensduur, maar intussen wel afgeschreven. Het assetmanagement bij gemeente en netwerkbedrijven heeft de vervangingsinvesteringen al in de planning staan. Een uitgelezen gelegenheid voor een totale vernieuwingsoperatie die integraal over alle sporen tegelijkertijd en in samenhang wordt aangepakt. Dertig tot veertig jaar na de bouw stroomt opnieuw een grote hoeveelheid geld deze wijken binnen om hardware te vernieuwen en aan te passen aan een veranderende tijd.

Zeker, klimaatadaptatie en energietransitie hebben een dusdanige urgentie dat ze niet kunnen wachten op, en ondergeschikt gemaakt kunnen worden aan, de trage cycli van stedelijke vervangingsinvesteringen, die tientallen jaren kunnen beslaan. Maar ‘klimaatadaptief’ en ‘co2-‘ of ‘energieneutraal’ zijn ook bijvoeglijk naamwoorden bij elk in de toekomst te vernieuwen corporatiecomplex, stuk straat, groenvoorziening, riool of dergelijke. Deze doelstellingen kunnen, met andere woorden, worden meegenomen in het programma van eisen voor alles wat toch wel zal worden vernieuwd en eigenlijk al ís betaald. Op deze wijze kan wellicht veel geld worden bespaard, zowel voor de gemeente als voor bewoners. Hebben we deze meekoppelkansen voldoende in beeld? Of zijn we in onze transitieprogramma’s voor duurzame energie en klimaatadaptatie soms nodeloos overhaast en geld en tijd aan het verspillen?

We zien de terugkeer van een integraal, gebieds-en wijkgericht investeringsbeleid, zoals dat 10 jaar geleden na Vogelaar ten grave is gedragen. We hoeven met ons herinvesteringsbeleid de jaarringen van de stad maar te volgen; vandaag zijn de bloemkoolwijken aan de beurt, over een jaar of 15 à 20 pakken we de volgende bouwperiode aan. En zo verder. En laten we dan binnen die ene ‘container’ van de wijk alle investeringen parallel schakelen en met elkaar verbinden zodat een optimale en integrale businesscase ontstaat. Het zou mooi zijn als we deze investeringen dan konden verbinden met maatschappelijke doelstellingen en zoveel mogelijk geld in de wijk zouden kunnen houden. Er zijn voor klimaatadaptatie en energietransitie legio ‘koppelkansen’; het vergt nauwelijks inspanning om ze te identificeren en uit te werken. De nieuwe omgevingswet biedt zowel een bedding als een aansporing om naar de kansen op zoek te gaan en ze in te koppen.

Create a website or blog at WordPress.com

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: